Wallgraph

Handleiding

Werkwijze en sneltoetsen voor muren, openingen, symbolen, maatlijnen en export.

Muren tekenen

W activeert het muurgereedschap; nogmaals W loopt door de vier vormen waarin het tekent: lijn, rechthoek, cirkel en veelhoek. Diezelfde keuze staat in het paneel, samen met de dikte waarmee de volgende muur wordt getekend.

Met de lijn plaatst een klik het beginpunt en vormen volgende klikken een keten. Tijdens het tekenen kan een lengte in millimeters worden getypt. Enter legt het segment op die lengte vast in de gekozen richting; zonder getypte lengte sluit Enter de keten terug op het beginpunt. Esc sluit de keten af.

De andere drie vormen nemen twee punten: hoek en tegenoverliggende hoek voor de rechthoek, middelpunt en straal voor de cirkel en de veelhoek. Klikken of slepen, beide werken. Shift houdt de rechthoek vierkant, en op een aanraakscherm doet de schakelaar Vierkant hetzelfde. Wat blijft staan zijn gewone muren — de cirkel is vier kwartbogen — die daarna te verplaatsen en te buigen zijn en openingen kunnen dragen.

Naast de dikte staat in het paneel wat de muur is en waarin hij wordt getekend. Het materiaal is metselwerk, beton, hout, staal, glas of sandwichpaneel; niet opgegeven is een aparte staat en geen aanname. Glas en sandwichpaneel zijn invulling en veranderen de tekening: het muurlichaam krijgt geen arcering maar een lichte band tussen zijn twee vlakken. Kleur is ook hier betekenis en geen opmaak — zwart is bestaand, rood te bouwen, geel te slopen — en vult het muurvlak, zoals op een verbouwtekening. Die keuzes blijven staan voor de volgende muur, net als de dikte.

Elke muur kan stijlen dragen: het raamwerk waarop het muurlichaam rust. Dat is één begrip voor wat in plattegrond één ding is — de stijlen van een pui, de kolommen van een stalen spant met sandwichpanelen, de regels van een houten wand. Hoe die stijlafstand wordt uitgezet is een eigen keuze. Gelijk verdeeld deelt elk vlak tussen de sparingen in gelijke vakken die niet breder zijn dan de opgegeven maat — goed voor een pui of een kolommenrij, waar alleen de maximale vakbreedte telt: een deur verschuift daarmee de stijlen van zijn eigen vlak in plaats van er een in de doorgang te laten vallen, en de deurstijlen lezen dan als de stijlen die ze zijn, zoals in een echte pui. Raster zet een vaste hart-op-hart-maat uit vanaf één muureinde, dwars door sparingen en gestapelde regelwerklagen heen, met alleen de laatste maat korter — zo wordt een houten of stalen regelwand ook echt gebouwd: 600 mm voor 1200 mm gipsplaat, 625 mm voor 1250 mm OSB, zodat platenaden op een stijl vallen en isolatie precies tussen de stijlen past. Een hout- of staalwand kiest raster als er niets anders is opgegeven; het paneel biedt de gipsplaat- en OSB-maat als voorkeuze, met "gelijk verdeeld" en een eigen maat ernaast.

De stijlbreedte is los op te geven. Zonder breedte staat een stijl als lijn — de hart-op-hart-maat is bekend, het profiel nog niet. Mét breedte is het een echt staafje op de maat waarop het wordt gebouwd; de diepte is de muurdikte zelf. Een stijl wordt nooit breder getekend dan zijn eigen vak. Een muur met stijlen gaat als ELEMENTEDWALL naar IFC: samengesteld uit onderdelen. Draagt het spant en de beplating niet, dan is de muur zelf dragend — dat is wat loadBearing over het bouwdeel zegt; de kolommen worden niet apart gemodelleerd.

Los daarvan staat de gevelbekleding: een schil buiten het constructieve muurlichaam. thickness blijft de constructie, dus een sandwichwand van 100 + 100 is dikte 100 met geveldikte 100. Die schil ligt geheel buiten de constructieve vlakken en verandert dus niets aan de muurgraaf, de ruimtedetectie of het netto oppervlak — hij wordt getekend als een witte band met een dunne omtrek, zoals op een bouwtekening. Twee beklede muren versnijden hun schil in een hoek; een onbeklede muur die erop uitkomt laat de schil doorlopen. Aanzetten kiest de zijde die op dat moment door geen ruimte wordt begrensd; die zijde blijft daarna gewoon te wijzigen en wordt niet opnieuw afgeleid. Wat de gevel wél bepaalt is het bruto oppervlak: bij oppervlaktemaat bruto (BVO) wordt gemeten tot de buitenkant van de gevel waar een begrenzende muur er een heeft, en tot de hartlijn waar dat niet zo is — precies wat NEN 2580 over een gedeelde bouwmuur zegt. Naar IFC gaat een beklede muur als IfcMaterialLayerSet: constructie en bekleding als geordende lagen.

Los daarvan kan elke wandzijde een eigen platenopbouw dragen: een stapel van ten hoogste zes platen — gips, gipsvezel, OSB, multiplex of cement, elk met een eigen dikte — van de muur naar de ruimte toe geordend, op de kant die geen gevel draagt. Net als de gevelbekleding tekent die als een witte band buiten het constructieve muurlichaam, met één band per plaat zodat de stapel op ware dikte leesbaar is, en bij oppervlaktemaat netto wordt de ruimtegrens gemeten tot de buitenste plaat, niet tot de constructie. Twee naastliggende platenopbouwen versnijden plaat op plaat in een hoek, zoals de gevelbekleding dat doet. Het wandoppervlak (stucwerk, verf, behang) wordt gemeten tot de buitenste plaat van de opbouw, niet tot de constructie erachter; het paneel meldt dat apart waar een wandzijde een platenopbouw draagt. Voor een blokopbouw (cellenbeton, kalkzandsteen) is het blokformaat vast te leggen; op een houten spant het aantal rijen klossen, op elk spant of de spouw is geïsoleerd; op een sandwichwand de paneelbreedte. Blokformaat, klossen, isolatie en paneelbreedte veranderen niets aan de tekening — ze worden vastgelegd voor de materiaalstaat.

Op zo'n wandzijde is ook een voorzetwand te zetten: stijlen op een tussenruimte vóór het constructieve vlak, die de platen van die zijde dragen. Vastgelegd worden de tussenruimte, de stijldiepte, hout of metalstud, desgewenst een eigen hart-op-hart-maat en stijlbreedte, bij hout het aantal rijen klossen, en de spouwisolatie; zonder eigen hoogte volgt de voorzetwand de bovenkant van de muur zelf. De positie wordt nooit opgeslagen: hartlijn, einden en hoeken volgen bij elke wijziging opnieuw uit de muur en haar buren, zodat verplaatsen, splitsen, spiegelen of samenvoegen de voorzetwand vanzelf meeneemt — de muurgraaf, de vlakkenwandeling van de ruimtedetectie, het oppervlak op de hartlijn en het bruto (BVO) oppervlak zien er niets van, en thickness blijft de constructie. Op tekening staat de tussenruimte leeg binnen een band buiten het constructieve vlak, met de eigen stijlen van de voorzetwand daarin op hun eigen hart-op-hart-maat; de platen stapelen vanaf de voorkant van de voorzetwand verder naar de ruimte toe. Bij oppervlaktemaat netto wordt gemeten tot de buitenste plaat van de hele opbouw — tussenruimte, voorzetwand en platen samen. Voorkeuzen zijn er voor metalstud 50, metalstud 75, hout 45×70 en hout 45×95, elk met een platenpakket; alle velden blijven daarna vrij te wijzigen. Een voorzetwand hoeft niet over de hele muur te lopen: er zijn stroken op te geven, en waar een kolom voor de muur staat stopt de voorzetwand aan weerszijden ervan — het paneel stelt die stroken voor, als alternatief voor een grotere tussenruimte. De kolom zelf krijgt dan een eigen bekleding: platen rondom, gerekend over de vrijstaande omtrek, zodat het deel dat in de muur zit niet meetelt.

Onder Wandoppervlak staat wat de muren van de verdieping aan vlak bieden — de maat waarop stucwerk, verf en behang worden besteld. Per muur staat het netto oppervlak in de muurlijst en in het paneel van de geselecteerde muur; per ruimte staat het onder haar regel in de ruimtelijst; de verdieping krijgt haar eigen totaal, met daarnaast in ruimtes: wat de ruimtes samen aan afwerking vragen. Gemeten wordt de versneden vlaklengte maal de hoogte, aan beide zijden: een muur tussen twee dikkere muren heeft een binnenvlak dat korter is dan zijn hartlijn en een buitenvlak dat langer is, en het is het vlak dat wordt afgewerkt. Sparingen worden op ware grootte van beide zijden afgetrokken, tot niet meer dan het vlak zelf. Draagt een muur gevelbekleding, dan staat er ook een regel binnenzijden: hetzelfde netto zonder de beklede zijde, die per definitie buiten ligt. Een muur die geen gevelblad opgeeft telt met beide zijden mee, want het document zegt dan niet welke zijde buiten is. Zoals elke maat hier wordt dit gemeld en niet gecontroleerd.

De dagkanten staan als eigen regel naast het netto oppervlak, en samen vormen ze af te werken. Een dagkant is het vlak van de sparing zelf, door de dikte van de muur heen: twee neggen en een bovendorpel. Géén onderdorpel — onder een deur ligt de vloer en onder een raam komt een vensterbank in plaats van stucwerk. Eén dag wordt door de twee zijden gedeeld, elk de helft, en dat is geen benadering die goedgepraat moet worden: bij een raam in de gevel is de binnendag stucwerk en de buitendag gevelwerk, en de verdeling zet beide waar ze horen. Elke zijde telt haar eigen helft van de constructieve dikte plus haar eigen opbouw, dus een dag door een voorzetwand is dieper — nog steeds één dag, niet twee. Gevelbekleding maakt de dag ook dieper, maar dat is gevelwerk en telt niet mee. Zit er een verlaagd plafond onder de bovendorpel, dan telt die dorpel niet mee en stoppen de neggen bij het plafond.

De hoogte wordt per vlak genomen, want de twee zijden van één muur staan in twee ruimtes. Zonder verlaagd plafond is dat vloer tot vloer; met een verlaagd plafond wordt elk vlak gemeten tot het plafond van de ruimte waarin het staat. Het plafond van de verdieping staat in het Plan-paneel, een ruimte geeft in de ruimtelijst haar eigen hoogte op — de badkamer onder een verlaagd plafond terwijl de rest doorloopt. De tussenmuur wordt dan aan de badkamerzijde tot 2300 afgewerkt en aan de andere zijde tot de vloer erboven, en dat is precies wat het paneel van die muur laat zien. Een plafond is een afwerking: het verandert niets aan de verdiepingshoogte, aan wat een trap overbrugt, aan de ruimteoppervlaktes of aan de export. Een opgegeven hoogte gelijk aan of boven de verdiepingshoogte werkt niets extra af en telt daarom niet mee. Een vloeropbouw is niet bekend.

Een muur kan een bovenprofiel opgeven: hoogtes op punten langs de hartlijn, in plaats van één hoogte over de volle lengte — een puntgevel onder de nok, een lessenaar die van dakrand naar nok oploopt. Het paneel toont dit als Hellend; aanzetten plaatst één punt op het midden, de knoppen Puntgevel en Lessenaar zetten er direct een vorm op en een derde punt is los toe te voegen en te verwijderen. Tussen de punten loopt de bovenkant recht; een muuruiteinde zonder eigen punt staat op de hoogte hierboven, die dan de hoogte aan de muuruiteinden wordt. Het bovenprofiel is opgegeven per muur en niet afgeleid van een dakvlak: twee muren die op een knoop samenkomen kunnen dus een andere hoogte opgeven, wat het paneel bij een hellende muur meldt zonder het op te lossen. Het wandoppervlak wordt over dit profiel gemeten in plaats van over één hoogte, en een sparing waarvan de bovendorpel boven het profiel uitsteekt wordt gemeld en alleen afgetrokken tot waar het profiel loopt. De plattegrond zelf is een doorsnede op vaste hoogte en blijft ongewijzigd; alleen een klein hoekteken bij het midden van een hellende muur laat zien dat hij een profiel draagt.

Energie

Onder Energie staat de meetkundige BENG-invoer van het gebouw: het verliesoppervlak Als — gevelvlak netto van de openingen, het glas, de deuren, het dak en de begane grondvloer samen — naast het gebruiksoppervlak Ag in de gekozen oppervlaktemaat, de compactheid Als/Ag, de bruto inhoud per verdieping en, zodra de noordrichting onder Vergunningsblad is opgegeven, het glasoppervlak per windrichting. Alleen een muur die een gevel opgeeft telt mee in de schil; een muur zonder gevel is intern of een bouwmuur. Gemeten wordt op het versneden constructieve gevelvlak, per verdieping van vloer tot vloer — een verlaagd plafond is afwerking en telt hier niet mee — met de sparingen op ware grootte afgetrokken. De plaat is de som van de bruto ruimteoppervlaktes; het dak is de bovenste plaat plus wat een lagere verdieping onbedekt laat. Een overstek wordt gemeld en niet meegerekend. Muren zonder gevel die aan geen enkele ruimte grenzen worden apart geteld en gemeld als vermoedelijk buitengevel.

De gebruikte Rc- en U-waarden komen uit de gekozen isolatieklasse en het beglazingstype, en vullen samen Rc gevel, Rc dak, Rc vloer en U raam/deur. Dat zijn de waarden die worden gebruikt, en elke ervan is te overschrijven: een muur kan een eigen Rc opgeven, een raam of deur een eigen U. De klassen zijn indicatieve tabelwaarden, op het Bouwbesluit-minimum voor de jaren 1992, 2013 en 2015, en het BENG-minimum vanaf 2021; het beglazingstype loopt van enkel glas via dubbel en HR++ tot triple glas.

Het cijfer eronder is het indicatieve transmissieverlies: H_T = Σ U·A over elk vlak met een waarde, omgerekend naar kWh per jaar bij 2800 graaddagen. Dat laat ventilatie, infiltratie, zoninstraling, interne warmte, koudebruggen en installaties buiten beschouwing, en is dus geen energiebehoefte volgens NTA 8800; een geregistreerde BENG-berekening vraagt gecertificeerde software en een adviseur die is erkend onder BRL 9500. Zoals elke maat hier geldt: alles wordt gemeld en niet getoetst. De IFC-export schrijft de uit Rc afgeleide U-waarde van elke gevelmuur en de opgegeven U van ramen en deuren mee als ThermalTransmittance, zodat gecertificeerde software het cijfer kan overnemen.

Dak

Onder Dak staan de dakvlakken van de verdieping: een omtrek in het grondvlak, de hoogte van de dakrand — de lage kant — en de hellingshoek. Een dakvlak is opgegeven, niet afgeleid: het bovenprofiel van een muur blijft zijn eigen opgave, en waar de twee niet overeenkomen wordt dat gemeld in plaats van opgelost.

Voorstel uit muren stelt dakvlakken voor uit wat al getekend staat: twee puntgevels die aan elkaars hoogte en dakrand gelijk zijn en tegenover elkaar staan leveren een zadeldak met de nok tussen de twee toppen; één lessenaarmuur levert één hellend vlak met de dakrand aan de lage kant; anders wordt één plat vlak over de buitenomtrek van de verdieping voorgesteld, op verdiepingshoogte. Het voorstel wordt pas vastgelegd na Overnemen; Plat dak en Zadeldak 45° zetten diezelfde twee eenvoudige vormen direct neer, zonder eerst een voorstel te tonen.

Per dakvlak staan de dakrandhoogte, de hellingshoek en, optioneel, een eigen dakdikte — zonder eigen opgave geldt de standaarddikte. Het hellend oppervlak (vlakoppervlak gedeeld door de cosinus van de hoek) staat ernaast, en elk vlak is ook los te verwijderen. Twee soorten muur onder een dakvlak wijken ervan af en worden gemeld, elk met de knop Volg dak die het bovenprofiel van die muur naar het dak overneemt: een muur die ergens door de onderkant van het dak heen steekt, en een muur die zelf al een bovenprofiel opgeeft dat niet met het dak overeenkomt. Een vlakke muur die over zijn hele lengte onder het dak blijft — de gewone binnenwand onder een nok — is geen afwijking en wordt niet gemeld.

Het dak verandert drie dingen die elders in het paneel staan. Onder Energie telt het hellend dakoppervlak mee in plaats van de platte bovenste vloerplaat. In de ruimtelijst onder Zoomen krijgt elke ruimte met minder dan 1500 mm vrije hoogte een gemeld lage-ruimte-oppervlak op haar eigen regel, met daaronder het gebruiksoppervlak dat NEN 2580 telt: het netto oppervlak min dat deel. Gemeten wordt naar de laagste van twee: de onderkant van het dak en een opgegeven plafondhoogte, zodat ook een plafond onder 1500 mm meetelt. Het totaal van de verdieping staat onder Dak. Bij een geselecteerde trap staat de vrije hoogte onder het dak bij de overige trapmaten. In de 3D-weergave en de IFC-export staat elk dakvlak als een plaat op zijn dakdikte, samengevoegd tot één IfcRoof. Zoals overal hier: gemeld, niet getoetst.

Materialen

Onder Materialen staat de materiaalstaat van de verdieping: wat de getekende muren aan staafhout, staal, platen, isolatie en blokken vragen, geteld uit de stijlafstand, het blokformaat, het aantal rijen klossen en de spouwisolatie die bij elke muur zijn opgegeven, en versneden op de vlaklengte uit Wandoppervlak. Een regelwand levert een onder- en een bovenregel op de volledige lengte en telt stijlen op elke getekende stijlpositie, aan beide wandeinden (tenzij een sparing daar tot op een stijlbreedte tegen het einde staat — dan staat de kozijnstijl van die sparing er al), als kozijnstijl aan beide zijden van elke sparing, en als aansluitstijl op elke hoek en aftakking waar twee of meer regelwanden met een opgegeven stijlbreedte samenkomen (één op een hoek, twee op een T of kruising; een rechte doorlopende aansluiting telt niet mee). Onder een sparing komt een latei met twee stijlbreedtes extra, verdubbeld op de kant, gedragen door een onderstijl aan elke kant, met een onderdorpel onder een raam en kortstijlen tussen de latei of de onderdorpel en de regel. Een stalen spant levert dezelfde stijlen — kozijnstijl en aansluitstijl inbegrepen — onder de namen regel en stijl, maar zonder klossen, latei of onderstijl: een deurkozijn is daar een eigen bouwdeel. Waar de eerste plaat op de stijlen lager is dan het spant, krijgt elke horizontale plaatnaad een naadregel tussen elke twee stijlen, op hout en op staal; de hoogte volgt uit de plaatmaat van die soort, met hele platen vanaf de vloer, en een klos binnen een stijlbreedte van de naad vervalt. Een blokopbouw levert een aantal blokken uit het blokformaat; een sandwichwand een aantal panelen uit de paneelbreedte. Een platenopbouw levert, per plaat en per platensoort, vierkante meters en platen op tegen de plaatmaat van die soort, over de kant van de muur die geen gevel draagt; spouwisolatie levert vierkante meters op dezelfde kant. De staat is per bouwsysteem gegroepeerd. Onder Balklagen staan per balklaag het aantal balken op de overspanning plus de oplegging aan beide einden, de twee randbalken en de vloerplaten; een balk wordt nooit gelast, een randbalk wel. Een balklaag zonder balkdoorsnede telt alleen de vloerplaat.

De aannames erboven — de standaardstaflengtes, de zaagsnede, de afschrijving en de plaatmaten — zijn per document te wijzigen en gelden voor de hele materiaalstaat; zonder eigen opgave gelden de gebruikelijke waarden. Regels en platen worden op de staflengtes genest: eerst de langste stukken, in de eerste voorraadlengte met nog ruimte, elke snede met de zaagsnede erbij; een regel langer dan de langste voorraadlengte wordt in stukken van die lengte gelast, een stijl, latei, klos of kortstijl nooit — die komt in de lijst te staan als niet passend, met de muur en het onderdeel erbij genoemd. Een muur die een stijlbreedte, een blokformaat of een paneelbreedte niet opgeeft telt voor dat onderdeel niet mee en staat apart gemeld.

De materiaalstaat is een schatting uit de getekende constructie, op basis van de opgegeven aannames — geen bestellijst en geen controle op wat een aannemer daadwerkelijk nodig heeft.

Elke muur biedt in haar eigen paneel de knop Aanzicht: een zijaanzicht op ware schaal van wat er in die muur staat. Een regelwand met een opgegeven stijlbreedte toont onder- en bovenregel, stijlen, kozijnstijlen, onderstijlen, klossen en aansluitstijlen, elk gerekend zoals de materiaalstaat ze telt; een blokwand met een opgegeven blokformaat toont haar lagen in halfsteensverband, met pasblokken aan de einden en bij elke sparing; een sandwichwand met een opgegeven paneelbreedte toont de paneellijnen, het laatste paneel op maat gezaagd. Elke andere muur — en een regel-, blok- of sandwichwand die haar ene benodigde maat niet opgeeft — toont het vlak en de sparingen zonder die eigen tekening; de knop staat altijd aan en het aanzicht meldt zelf wat ontbreekt. Het aanzicht volgt de muur mee terwijl het openstaat en is als SVG te downloaden.

Onder een hellende bovenkant volgt het regelwerk het profiel: elke stijl, kozijnstijl en aansluitstijl is gesneden op de hoogte van zijn hoogste kant min de platen, zodat niets te kort wordt besteld, en de bovenregel bestaat uit één schuine regel per recht stuk van het profiel, in lengte langs de helling. Een muur mag als meer dan één regelwerk boven elkaar staan: het paneel biedt een Framebreuk-rij per opgegeven hoogte en een knop om er een toe te voegen, desgewenst op de hoogte van een balklaag die de muur raakt. Elke breuk levert een dubbele regel — de bovenregel van het regelwerk eronder en de onderregel van het regelwerk erboven — en alleen het bovenste regelwerk volgt de helling; regelwerk daaronder blijft vlak op zijn eigen breukhoogte. Past een stijl op geen standaardstaflengte, dan meldt de materiaalstaat ook op welke hoogte een breuk elke stijl weer zou laten passen.

Constructie

Een geselecteerde balklaag, balk of sparing toont een kopje Constructie: de overspanning, de belasting met haar opbouw — permanent en veranderlijk, en bij een latei het eigen gewicht van de muur erboven — de doorsnede, de belastinggraad per criterium (buiging, afschuiving, doorbuiging, met het maatgevende criterium gemerkt), de doorbuiging tegen haar grens, en of de doorsnede binnen de gestelde grenzen blijft. Het is één rekenmodel op drie plekken toegepast: de balken van een balklaag over hun overspanning en h.o.h.-afstand, een geplaatste balk over zijn eigen opgegeven belasting, en de latei boven een sparing over de muur die erboven staat, gelezen op de hoogte van het dak of de vloer erboven zodat een latei in een puntgevel niet wordt belast met muurwerk dat er niet staat. Een balk waarvan het opschrift een geprofileerde staalmaat (HEA, HEB, IPE) noemt wordt tegen die doorsnede getoetst in plaats van als rechthoekig hout; elke andere doorsnede — de balken van een balklaag, een balk zonder herkend profiel, elke latei — wordt als rechthoekig hout getoetst.

Ontbreekt een gegeven, dan meldt het paneel welk gegeven en in welke rij dat hierboven staat; een latei zonder muurmateriaal wijst naar het materiaal van de muur zelf, in haar eigen paneel. Blijft de opgegeven doorsnede buiten de gestelde grens, dan biedt een knop de kleinste doorsnede uit de doorsnedelijst die wel binnen de grens blijft, en schrijft die met één klik in de balklaag, de balk of de latei; blijft geen van de opgegeven doorsnedes binnen de gestelde grenzen, dan meldt het paneel dat in plaats van een knop te tonen.

De toets is een voorlopige maatvoering van één vrij opgelegde overspanning onder een gelijkmatig verdeelde belasting: M = qL²/8, V = qL/2, met buiging en afschuiving tegen een sterkte die kmod, de materiaalfactor en (bij hout) de kruipfactor verrekent, en een doorbuiging tegen L/limiet. Een wisselbalk naast een sparing krijgt daarbij de kopbalken als puntlast. Andere puntlasten, doorlopende of uitkragende overspanningen, kipstabiliteit, trillingen, insnijdingen, opleggingsdruk, verbindingen en brandwerendheid vallen erbuiten. Onder Materialen staan de aannames die de toets gebruikt: de houtsterkteklasse — een voorinstelling die alleen de sterktecijfers invult, net als de isolatieklasse onder Energie — de partiële factoren op permanente en veranderlijke belasting, de doorbuigingsgrens als deel van de overspanning, en de lijst doorsnedes waaruit een voorstel wordt gekozen. Zonder eigen opgave gelden indicatieve tabelwaarden. Zoals overal hier: gemeld, geen constructieberekening — die vereist een daarvoor gekwalificeerde constructeur.

Een balklaag toont bij haar Constructie ook twee comfortcijfers naast de sterktetoets: de eigenfrequentie van de overspanning en de doorbuiging onder een puntlast van 1 kN, elk tegen een indicatieve grens — 8 Hz en 1,5 mm, onder Materialen te wijzigen. Een balklaag waarvan buiging, afschuiving en doorbuiging binnen de gestelde grenzen blijven kan nog steeds merkbaar meeveren; deze twee cijfers zijn gewone rekenformules zoals de sterktetoets zelf, geen tabel uit een norm. Ze gaan uit van de eigen massa van de balken en de vloerplaat plus de opgegeven permanente belasting, niet de veranderlijke belasting, en van de opgegeven balkdoorsnede; ontbreekt de permanente belasting of de doorsnede, dan wordt geen cijfer getoond. Ze zeggen niets over een zware afwerking, een lange of doorlopende overspanning, of een vloer die machines draagt — die vragen een eigen beoordeling. Blijft een balklaag buiten de gestelde grens, dan noemt het paneel een vaste lijst met wat het cijfer verhoogt: een dikkere balk, een kleinere hart-op-hart afstand, doorschietende regels of een strongback tussen de balken, of een vloerplaat die zowel gelijmd als geschroefd is.

De knop Uitgangspunten exporteren — in het documentmenu en onderaan Materialen — legt deze toetsing vast op één afdrukbare pagina, om aan een constructeur mee te geven: per verdieping elke balklaag, balk en latei met haar overspanning, belastingopbouw, doorsnede en resultaat, de comfortcijfers van elke balklaag, de opgegeven aannames in cijfers, elke aanname die van haar standaardwaarde afwijkt, en een vaste lijst met wat de toetsing niet heeft meegenomen — puntlasten, doorlopende of uitkragende overspanningen, kipstabiliteit, insnijdingen, opleggingsdruk, verbindingen, brandwerendheid, de lastafdracht onder het element en de fundering, plus het inkorten van balken rond een sparing in een balklaag. Een document zonder balklaag, balk of latei krijgt een pagina die dat met zoveel woorden meldt in plaats van een lege pagina. Zoals overal hier: gemeld, geen constructieberekening.

Selecteren, verplaatsen, krommen

V activeert het selectiegereedschap voor knopen, muren en symbolen. Een geselecteerde muur krijgt een ruitvormige greep op het midden; verslepen buigt de muur tot een cirkelboog. De pijlhoogte in millimeters staat daarna in het paneel, net als de dikte en de lengte. Lengte aanpassen verschuift het verre uiteinde langs de muurrichting.

Twee muren die net niet op elkaar uitkomen zijn samen te voegen: selecteer ze allebei (Shift+klik) en het paneel biedt Muren verbinden aan. Beide muren worden doorgetrokken tot hun snijpunt en de uiteinden worden één knoop — hetzelfde werkt bij een overlap, want dan ligt het snijpunt achter een van de uiteinden. Evenwijdige muren hebben geen snijpunt; die uiteinden komen samen op hun midden, en de knop heet dan ook anders. Kan het niet, dan zegt het paneel waaróm: de muren delen al een knoop, een uiteinde zit al aan een derde muur vast, of ze reiken niet tot elkaar.

Knopen zijn ook los toe te voegen en te verwijderen. Cmd/Ctrl+klik op een muur splitst hem daar en selecteert de nieuwe knoop, zodat x en y meteen op maat te zetten zijn — dezelfde handeling als op een leiding. Een geselecteerde knoop is oranje getekend, zodat duidelijk is waar Del op werkt: die haalt de knóóp weg, niet de muur. Zitten er twee muren aan, dan worden die één — ook als het een hoek was, want dat is wat het weghalen van een knoop betekent. Aan een muuruiteinde is er niets om in op te gaan en gaat die ene muur mee. Komen er drie of meer muren samen, dan gebeurt er niets: dat weghalen zou losse einden achterlaten, en daarvoor staat Verwijderen met muren er apart. Op een leiding werkt Del precies zo — het punt verdwijnt en de buren worden opnieuw verbonden. Staat een knoop tussen precies twee muren die in één lijn lopen en hetzelfde vermelden, dan biedt het paneel Knoop verwijderen: de twee muren worden één en de sparingen schuiven mee. Dezelfde bewerking staat op de muren zelf: selecteer beide secties en het paneel biedt Muren samenvoegen aan — twee secties zijn twee dingen op het scherm, en daar wordt naar de knop gezocht. Kan het niet, dan zegt het paneel waarom.

Deuren, ramen en doorgangen

D, N en P plaatsen respectievelijk een deur, raam en doorgang op een muur. Tijdens het plaatsen worden de afstanden tot beide muuruiteinden weergegeven. Richting, breedte en type zijn vervolgens instelbaar in het paneel; alle typen staan op deur- en raamtypen.

Het paneel toont bij een actief openingsgereedschap wat de volgende plaatsing krijgt: breedte, draairichting en brandwerendheid. Die keuzes blijven staan, zodat een rij gelijke deuren in één keer goed staat in plaats van stuk voor stuk achteraf. De aangeboden breedtes zijn de standaard dagmaten van het binnendeurkozijn — 730, 780, 830, 880, 930 en 1010 mm — en daarnaast de dubbele maten; elke andere maat blijft intypbaar. width is de dagmaat van het kozijn, niet het deurblad.

Brandwerendheid wordt genoteerd zoals op een tekening: WBDBO met het aantal minuten, en daarnaast WBD en WRD. Het aanzetten van een waardering zet de deur meteen op zelfsluitend. De aanduiding komt op de plattegrond en in elke export.

Het kozijnmateriaal en, bij een deur, de opbouw van het deurblad kunnen worden opgegeven. Ze worden in de IFC-export als materiaalonderdelen van de deur of het raam geschreven en in 3D alleen getoond als de kleur van een stalen deurblad. Een deurblad met honingraatvulling onder een brandwerendheid wordt gemeld.

Een opening blijft aan de bijbehorende muur gekoppeld en verplaatst met die muur mee.

Symbolen

S opent het symboolgereedschap. Zoeken in het palet werkt in beide talen; de zoekterm “socket” vindt bijvoorbeeld de wandcontactdoos in de Nederlandse interface. Symbolen die aan een muur horen klikken vlak tegen het muurvlak en draaien mee. R roteert, M spiegelt, Alt+slepen maakt een kopie van wat al goed staat. Kleur is betekenis, geen opmaak: zwart is bestaand, rood is nieuw, geel verdwijnt. Alle 84 staan op plattegrondsymbolen.

Trappen

T opent het trapgereedschap met de vijftien traptypen van het symbolenblad: steektrap, bordestrap, trappen met onder- of bovenkwart, spiltrap, wenteltrap, roltrap, vlizotrap, klimijzers en hellingbaan. Een trap is geen symbool: breedte, aantrede en het aantal treden staan in het document, zodat dezelfde steektrap in een woning 900 mm breed is en in een bedrijfsunit 1200 mm. Het hoogteverschil komt van de verdieping: een trap volgt de verdiepingshoogte uit het Plan-paneel tenzij er een eigen hoogte is ingevuld, wat een trap naar een entresol naast een vide nodig heeft. Een trap van 15 treden heeft 16 optreden, dus 2800 mm geeft een optrede van 175 en een loopvergelijking van 570. De treden, de looplijn, de pijl en de plaats van de breuklijn volgen daaruit. Het paneel zet de uitkomst naast de invoer en meldt in rood waar een maat buiten het gebruikelijke valt; Wallgraph toetst geen regelgeving. Welke maten gebruikelijk zijn hangt af van de gebruiksfunctie in het paneel: voor een woonfunctie een optrede van ten hoogste 188 en een aantrede van ten minste 220 mm, voor een andere gebruiksfunctie 210 en 185. Een trap zonder opgegeven gebruiksfunctie wordt tegen de ruimste marge gelezen, zodat een trap die voor enige gebruiksfunctie gewoon is niet wordt gemeld. R draait een kwartslag om het midden van de trap en M spiegelt, ook vóór het plaatsen. Een trap die draait heeft een draairichting in het paneel, linksom of rechtsom; bij een trap met onder- en bovenkwart staat elk kwart daar apart, zodat de trap boven naast zichzelf terugkomt of juist naar de andere kant verspringt. De pijl wijst altijd van beneden naar boven; een trap die naar beneden gaat is dezelfde trap, omgedraaid. Een trap op de verdieping eronder schemert door op de plattegrond erboven, want daar komt hij aan.

Constructie

H opent het constructiegereedschap: kolom, balk, leuning, vide en balklaag — de dragende en begrenzende delen die geen muur zijn. Geen daarvan komt in de muurgraaf: een kolom staat los van de hartlijnen ook waar hij in een muur staat, een balk overspant wat hem draagt, en een leuning begrenst een rand zonder een ruimte te omsluiten. Elk is een geplaatst object met eigen maten, zoals een trap, en de tekening volgt daaruit.

Het snijvlak van de plattegrond bepaalt hoe elk getekend wordt. Een kolom wordt erdoor gesneden en staat gearceerd, als een muur; de doorsnede is rechthoekig, rond of een H-profiel, met breedte en diepte in het document. Een kolom draagt de vloer erboven tenzij hij een eigen hoogte opgeeft, wat een kolom onder de vloerrand van een vide nodig heeft. Een balk ligt boven het snijvlak en staat daarom gestreept, zoals een bovenkast; de gangbare walsprofielen (HEA, HEB, IPE) staan in het paneel en zetten flensbreedte, profielhoogte en het opschrift in één keer, maar het document slaat de maten en het opschrift op, niet de tabelrij. Een balk ligt met de bovenkant op de verdiepingshoogte tenzij een eigen onderkant is ingevuld. Een leuning staat onder het snijvlak en staat in omtrek: twee lijnen op de breedte van de handregel, met een streepje per baluster op de opgegeven hart-op-hartmaat. Balk en leuning worden tussen twee punten gezet, met klikken of slepen; O zet de hoek vast. Een muur met een eigen hoogte tot 1200 mm — een borstwering, kniemuur of plint — staat om dezelfde reden in omtrek in plaats van gearceerd.

Een vide is een opening in de vloer, open naar de verdieping eronder. Een vide hoort bij de verdieping waarin het gat zit, niet bij een verdieping van zichzelf — de vloer heeft een gat en de plattegrond van die verdieping tekent het. Een trapgat is hetzelfde: de opening waar de trap van beneden doorheen komt, getekend op de plattegrond van de verdieping erboven. Het merk is de omtrek met een diagonaal uit elke hoek; de vloerkleur eronder wordt weggenomen, want een vide is geen vloer.

Een balklaag is het omgekeerde: een houten vloer waar de verdieping er geen heeft. Zonder hoogte is het de vloer van de verdieping zelf, met de balken eronder; met een hoogte is het een vliering of entresol binnen de verdieping, en die ligt boven het snijvlak en staat dus gestreept. De rechthoek is de vrije overspanning tussen de opleggingen; de balken lopen over de breedte of de diepte, op een hart-op-hartmaat die vanaf beide randen wordt uitgezet, zodat de twee randbalken altijd staan. Elke balk ligt aan beide einden de opgegeven oplegging verder op zijn steunpunt. Balkdoorsnede, vloerplaat en belasting zijn eigen opgaven; een gebruik (wonen, berging, balkon) vult alleen de twee belastingen in met indicatieve waarden. Wallgraph toetst een balklaag niet.

Materiaal is een keuze per element, net als bij een muur, en niet opgegeven is een eigen antwoord. De IFC-export schrijft kolom, balk en leuning als eigen elementen met hun maten; de 3D-weergave trekt ze op tot hun hoogte. Wallgraph rekent niets aan een constructie na: een kolom of balk is een figuur op de tekening, geen berekening.

Inrichting

C opent het inrichtingsgereedschap: kasten, keukenapparatuur, sanitair en meubels. Geen daarvan is een symbool, en om dezelfde reden als een trap: hetzelfde kastje is 400, 600 of 800 mm breed, een bad is 1700 of 1800 lang en een tafel is zo groot als de kamer toelaat. Breedte, diepte en hoogte staan dus in het document, en de kast, het front, de draairichting, de spoelbak en de overstek van het blad volgen daaruit bij het tekenen.

Het paneel groepeert de benoemde uitvoeringen per ruimte: keuken, sanitair, kasten en stellingen, en meubels. Onder de kiezer staan de velden die bij die vorm horen — een kast heeft een hoogteklasse, een front en een draairichting, een toestel heeft een merkteken, een douche heeft wel of geen bak, een bed alleen een maat. De hoogteklasse van een kast bepaalt hoe die het snijvlak van de plattegrond raakt: onderkasten worden van boven gezien en hoge kasten worden doorgesneden, beide doorgetrokken; bovenkasten en afzuigkappen hangen er volledig boven en staan daarom gestreept, zoals al het werk boven het snijvlak.

Voor kastwerk zijn de maten de gangbare modulematen: 150, 200, 300, 400, 450, 500, 600, 800, 900, 1000 en 1200 mm, naast een intypbare maat voor een vulpaneel op maat; andere vormen hebben hun eigen reeks. Wat tegen een muur staat klikt vlak tegen die muur én tegen het element ernaast, zodat een keukenopstelling als aaneengesloten rij ontstaat in plaats van stuk voor stuk op het oog uitgelijnd. Wat vrij staat — een bed, een bank, een tafel — landt waar de cursor staat. R draait een kwartslag om het midden, M spiegelt.

Shift+klik kiest meer elementen tegelijk; slepen verplaatst dan alles wat geselecteerd is, en draaien, spiegelen en verwijderen gelden voor de hele selectie. Een groep neemt geen snap: wat eenmaal is opgesteld blijft opgesteld. Alt+slepen kopieert in plaats van te verplaatsen — de kopie hangt aan de cursor en houdt maat, kleur en draairichting van het origineel.

Installaties

U opent het installatiegereedschap. Een leiding is één samenhangend netwerk van punten en verbindingen, geen losse lijn: een gedeelde hoofdleiding staat éénmaal in het bestand en vertakt daarna naar zoveel wandcontactdozen, kranen, afvoeren of ventielen als nodig. Klik om punten te plaatsen; Esc of dubbelklik sluit het tracé af, Cmd/Ctrl+klik voegt onderweg een punt toe. Er zijn vijf disciplines — elektra, water, verwarming, ventilatie en gas — elk met een eigen kleur en een eigen laag onder Zichtbare lagen. Verwarming staat apart en is geen soort water: cv-leiding wordt op een andere grondslag gedimensioneerd en staat op een installatietekening als een eigen systeem, ook waar één installateur beide legt.

Wat een leiding vermeldt hangt van de discipline af, en bepaalt hoe hij loopt op de tekening:

Daarnaast draagt elke leiding een montagewijze — inbouw, opbouw, in de vloer, in of boven het plafond, of een vrij tracé — en een hoogte boven de vloer. De lijn zegt wat voor leiding het is; hoe dik hij staat zegt hoeveel ruimte hij vraagt. Vanaf 50 mm krijgt een leiding onder zijn eigen lijn een doorsnedeband op ware maat: een kanaal van Ø200 neemt 200 mm in, en een tekening die dat als een streepje toont kan de vraag of het past niet beantwoorden. Daaronder blijft het bij de lijn — een toevoerleiding van 15 gaat waar hij gelegd wordt. Elektra vermeldt geen maat, want een bundel kabel heeft in plattegrond geen zinvolle breedte.

Symbolen dragen aansluitpunten. Zet een symbool op een los leidingeinde en dat einde wordt overgenomen: het punt volgt vanaf dan het symbool. Dat volgen is afgeleid en niet opgeslagen — verplaats de wandcontactdoos en het leidingeinde gaat mee, omdat de leiding bij het tekenen de huidige positie leest in plaats van een bijgewerkte kopie. Staat een apparaat midden op een tracé, dan biedt het paneel Aansluiten op aan en wordt de leiding daar gesplitst; staat het precies op een knik of knooppunt, dan biedt het Hier aansluiten op aan en wordt dat bestaande punt overgenomen, zodat de leiding bij het apparaat omslaat. Beide zijn een keuze in het paneel en gebeuren nooit vanzelf: een plaatsing hoort geen knooppunt midden in een hoofdleiding stilzwijgend op te slokken. Zolang een aansluiting ontbreekt meldt het paneel welke dienst nog open staat.

Een los eindpunt is te typeren als bron, afgedopt of doorvoer buiten het model, en is door te voeren naar de verdieping erboven of eronder. Zo’n doorvoer is zichtbaar op elke verdieping die hij raakt, met een eigen schachtaanduiding. Het paneel telt per verdieping wat er binnenkomt, uitgaat en doorloopt, en hoeveel verticale lengte aan die verdieping toevalt — elke schacht één keer, bij de laagste verdieping die hij raakt, zodat dezelfde schacht niet op elke plattegrond opnieuw meetelt. Wat niet klopt wordt gemeld en niet geweigerd: een doorvoer naar een punt dat niet meer bestaat, tussen punten op dezelfde verdieping, tussen verschillende disciplines, of tussen leidingen waarvan de gegevens niet overeenkomen.

Het paneel noemt de getekende lengte, en apart daarvan de aftakkingen naar de aangesloten apparaten: die zijn echte leiding maar staan niet op de plattegrond, dus worden ze ernaast vermeld in plaats van erin verwerkt. Apparaten zonder opgegeven montagehoogte worden geteld, niet geraden. Loopt het netwerk over meer verdiepingen, dan staat de totale netwerklengte er ook, met de verticale lengte apart. Twee leidingen zijn samen te voegen wanneer dat één aaneengesloten net oplevert — dezelfde discipline, en elkaar rakend; lukt dat niet, dan zegt het paneel welke van de twee ontbreekt. Automatisch langs muren trekt elk stuk over de kortste weg langs de muren, op een instelbare afstand tot het hart, en levert een gewoon tracé op dat daarna met de hand aan te passen is.

Bij export krijgt elke discipline een eigen DXF-laag, met aparte lagen voor data, waterafvoer en ventilatie-afvoer, omdat DXF kleur en streep per laag regelt en niet per lijn. De vergunningsbladen dragen geen installaties.

Ruimtes in beeld en op naam

F brengt de hele plattegrond in beeld, Shift+F de selectie. Beide werken in elk gereedschap. Z opent het ruimtegereedschap: sleep een kader op de tekening om daarop in te zoomen, of klik een ruimte aan om die vol in beeld te brengen.

Het paneel toont daarbij alle herkende ruimtes als lijst, in de volgorde waarin ze op de tekening staan. Een regel noemt de oppervlakte en, zodra die er is, de naam; de knop ernaast maakt van de regel een invoerveld. De lijst volgt de muren: een ruimte die in tweeën wordt gedeeld verschijnt als twee regels, zonder dat er iets bijgehouden hoeft te worden.

3D-weergave

3 zet de 3D-weergave aan: het hele gebouw, rechtstreeks opgetrokken uit de getekende muren — met deur- en raamopeningen, vloerplaten met vides en trapgaten, kolommen, balken en leuningen, trappen trede voor trede, de inrichting per stuk (kasten op hun plint en onder hun blad, sanitair met kuip en bak, meubels op hun poten) en elke verdieping op haar eigen peil. Slepen draait het beeld, scrollen zoomt, Shift+slepen verschuift; F brengt alles in beeld en Esc of nogmaals 3 keert terug naar de plattegrond. Net als de ruimtes is het beeld afgeleid: er staat niets driedimensionaals in het document.

De gevelbekleding, de plaatstapels en de voorzetwand worden in 3D als eigen lichamen getekend. Elk element toont het uiterlijk van zijn materiaal: kleur, oppervlak en een patroon op ware grootte (baksteen, blokken, beton, hout, sandwichpaneel, dakpannen, stucwerk, staal). Een muur zonder opgegeven materiaal blijft neutraal.

Ruimtenamen

Een naam wordt in die lijst geschreven, of door op de tekening op de oppervlakte van een ruimte te klikken — dat opent dezelfde regel. Een leeg veld haalt de naam weer weg.

Ruimtes zelf worden afgeleid uit de muren en staan niet in het document; wat wél is opgeschreven is de naam en de plaats waar die is gezet, en dat is dan ook wat wordt bewaard. Welke ruimte de naam draagt volgt uit dat punt. Verplaatst een muur zich zo dat het punt in de volgende ruimte valt, dan gaat de naam met het punt mee.

Eén ruimte draagt één naam. Verdwijnt de muur tussen twee benoemde ruimtes, dan houdt de naam van de grootste van de twee de samengevoegde ruimte en vervalt de andere: die noemde een ruimte die er niet meer is. Muur en naam gaan in één stap, dus Ctrl+Z zet ze samen terug. Een naam die in helemaal geen ruimte valt blijft wél staan waar hij is geschreven: dat is wat een open ruimte of een nog niet gesloten muurlus nodig heeft.

De naam komt boven de oppervlakte te staan en gaat mee in PNG, SVG en DXF.

Ruimtes en maten

Gesloten muurlussen worden automatisch als ruimte herkend en van een oppervlakte voorzien. De maat is standaard netto (binnenwerks, NEN 2580); de legenda op het canvas zegt welke conventie geldt en in het Plan-paneel kan hart-op-hart worden gekozen. L zet maatlijnen op alle muren aan en uit; selectie van een maatlabel maakt invoer van de lengte mogelijk.

De maatlijnen kennen dezelfde twee conventies, los te kiezen onder Maatlijnen: hart-op-hart, dagmaat — gemeten tussen de wandvlakken, waar interieurwerk vanaf wordt uitgezet — of beide, waarbij elke keten zijn eigen regel krijgt en de dagmaat het dichtst bij het gebouw ligt. Zodra de dagmaat wordt getoond, krijgt elke rechthoekige ruimte ook haar vrije breedte en diepte onder de oppervlakte, in PNG, SVG en DXF mee.

A opent het meetlint: klik twee punten, of sleep van het ene naar het andere, en de afstand ertussen verschijnt op de tekening met daaronder de horizontale en verticale component. Het lint pakt hoeken, wandvlakken, dagkanten, kolommen, trappen, kasten en leidingen, en met het eerste punt gezet ook het loodrechte punt op een wand, zodat een vrije afstand tot een muur in één beweging te meten is. Shift houdt het tweede punt op een van de acht richtingen; de hoekvergrendeling O van de wanden geldt hier niet. Een meting wordt niet opgeslagen en komt in geen export voor.

Opslaan en exporteren

De plattegrond wordt automatisch in de lokale browseropslag bewaard. Hiervoor is geen account of applicatieserver vereist. De plattegrond blijft na het sluiten van het tabblad beschikbaar.

Sneltoetsen

ToetsDoet
Vselecteren en verplaatsen
Wmuren tekenen; nogmaals: volgende vorm
D N Pdeur, raam, doorgang
Ssymbool plaatsen
Ttrap plaatsen
Hconstructie: kolom, balk, leuning, vide, balklaag
Cinrichting plaatsen
Zruimtes: kader slepen, ruimte aanklikken, ruimte benoemen
Ameetlint: afstand tussen twee punten
Falles in beeld
Shift+Fselectie in beeld
33D-weergave aan/uit
Pfasering in 3D aan/uit (alleen in de 3D-weergave)
Ohoeksnapping aan/uit
Shifthoek vasthouden tijdens het tekenen
Grastersnapping aan/uit
Lmaatlijnen aan/uit
R Mroteren om het midden, spiegelen
Shift+klikmeer elementen selecteren
Alt+slepenkopie slepen in plaats van het origineel
Delselectie verwijderen
Entermuurketen sluiten (zonder getypte lengte)
Escafbreken / keten afsluiten
Ctrl+Zongedaan maken
Ctrl+Shift+Zopnieuw
scrollenzoomen naar de cursor
rechts slepenverschuiven

Editor openen. Ctrl+Z maakt de laatste documentwijziging ongedaan.