Wallgraph

Handleiding

Werkwijze en sneltoetsen voor muren, openingen, symbolen, maatlijnen en export.

Muren tekenen

W activeert het muurgereedschap; nogmaals W loopt door de vier vormen waarin het tekent: lijn, rechthoek, cirkel en veelhoek. Diezelfde keuze staat in het paneel, samen met de dikte waarmee de volgende muur wordt getekend.

Met de lijn plaatst een klik het beginpunt en vormen volgende klikken een keten. Tijdens het tekenen kan een lengte in millimeters worden getypt. Enter legt het segment op die lengte vast in de gekozen richting; zonder getypte lengte sluit Enter de keten terug op het beginpunt. Esc sluit de keten af.

De andere drie vormen nemen twee punten: hoek en tegenoverliggende hoek voor de rechthoek, middelpunt en straal voor de cirkel en de veelhoek. Klikken of slepen, beide werken. Shift houdt de rechthoek vierkant, en op een aanraakscherm doet de schakelaar Vierkant hetzelfde. Wat blijft staan zijn gewone muren — de cirkel is vier kwartbogen — die daarna te verplaatsen en te buigen zijn en openingen kunnen dragen.

Naast de dikte staat in het paneel wat de muur is en waarin hij wordt getekend. Het materiaal is metselwerk, beton, hout, staal, glas of sandwichpaneel; niet opgegeven is een aparte staat en geen aanname. Glas en sandwichpaneel zijn invulling en veranderen de tekening: het muurlichaam krijgt geen arcering maar een lichte band tussen zijn twee vlakken. Kleur is ook hier betekenis en geen opmaak — zwart is bestaand, rood te bouwen, geel te slopen — en vult het muurvlak, zoals op een verbouwtekening. Die keuzes blijven staan voor de volgende muur, net als de dikte.

Elke muur kan stijlen dragen: het raamwerk waarop het muurlichaam rust. Dat is één begrip voor wat in plattegrond één ding is — de stijlen van een pui, de kolommen van een stalen spant met sandwichpanelen, de regels van een houten wand. De stijlafstand geldt hart-op-hart als maximale vakbreedte: elk vlak tussen de sparingen wordt in gelijke vakken verdeeld die niet breder zijn dan de opgegeven maat. Een deur verschuift daarmee de stijlen van zijn eigen vlak in plaats van er een in de doorgang te laten vallen; de deurstijlen zijn dan de stijlen, zoals in een echte pui.

De stijlbreedte is los op te geven. Zonder breedte staat een stijl als lijn — de hart-op-hart-maat is bekend, het profiel nog niet. Mét breedte is het een echt staafje op de maat waarop het wordt gebouwd; de diepte is de muurdikte zelf. Een stijl wordt nooit breder getekend dan zijn eigen vak. Een muur met stijlen gaat als ELEMENTEDWALL naar IFC: samengesteld uit onderdelen. Draagt het spant en de beplating niet, dan is de muur zelf dragend — dat is wat loadBearing over het bouwdeel zegt; de kolommen worden niet apart gemodelleerd.

Los daarvan staat de gevelbekleding: een schil buiten het constructieve muurlichaam. thickness blijft de constructie, dus een sandwichwand van 100 + 100 is dikte 100 met geveldikte 100. Die schil ligt geheel buiten de constructieve vlakken en verandert dus niets aan de muurgraaf, de ruimtedetectie of het netto oppervlak — hij wordt getekend als een witte band met een dunne omtrek, zoals op een bouwtekening. Twee beklede muren versnijden hun schil in een hoek; een onbeklede muur die erop uitkomt laat de schil doorlopen. Wat de gevel wél bepaalt is het bruto oppervlak: bij oppervlaktemaat bruto (BVO) wordt gemeten tot de buitenkant van de gevel waar een begrenzende muur er een heeft, en tot de hartlijn waar dat niet zo is — precies wat NEN 2580 over een gedeelde bouwmuur zegt. Naar IFC gaat een beklede muur als IfcMaterialLayerSet: constructie en bekleding als geordende lagen.

Onder Wandoppervlak staat wat de muren van de verdieping aan vlak bieden — de maat waarop stucwerk, verf en behang worden besteld. Per muur staat het netto oppervlak in de muurlijst en in het paneel van de geselecteerde muur; per ruimte staat het onder haar regel in de ruimtelijst; de verdieping krijgt haar eigen totaal, met daarnaast in ruimtes: wat de ruimtes samen aan afwerking vragen. Gemeten wordt de versneden vlaklengte maal de hoogte, aan beide zijden: een muur tussen twee dikkere muren heeft een binnenvlak dat korter is dan zijn hartlijn en een buitenvlak dat langer is, en het is het vlak dat wordt afgewerkt. Sparingen worden op ware grootte van beide zijden afgetrokken, tot niet meer dan het vlak zelf. Draagt een muur gevelbekleding, dan staat er ook een regel binnenzijden: hetzelfde netto zonder de beklede zijde, die per definitie buiten ligt. Een muur die geen gevelblad opgeeft telt met beide zijden mee, want het document zegt dan niet welke zijde buiten is. Zoals elke maat hier wordt dit gemeld en niet gecontroleerd.

De dagkanten staan als eigen regel naast het netto oppervlak, en samen vormen ze af te werken. Een dagkant is het vlak van de sparing zelf, door de dikte van de muur heen: twee neggen en een bovendorpel. Géén onderdorpel — onder een deur ligt de vloer en onder een raam komt een vensterbank in plaats van stucwerk. Eén dag wordt door de twee zijden gedeeld, elk de helft, en dat is geen benadering die goedgepraat moet worden: bij een raam in de gevel is de binnendag stucwerk en de buitendag gevelwerk, en de verdeling zet beide waar ze horen. Gemeten wordt over de constructieve dikte; gevelbekleding maakt de dag dieper, maar dat is gevelwerk. Zit er een verlaagd plafond onder de bovendorpel, dan telt die dorpel niet mee en stoppen de neggen bij het plafond.

De hoogte wordt per vlak genomen, want de twee zijden van één muur staan in twee ruimtes. Zonder verlaagd plafond is dat vloer tot vloer; met een verlaagd plafond wordt elk vlak gemeten tot het plafond van de ruimte waarin het staat. Het plafond van de verdieping staat in het Plan-paneel, een ruimte geeft in de ruimtelijst haar eigen hoogte op — de badkamer onder een verlaagd plafond terwijl de rest doorloopt. De tussenmuur wordt dan aan de badkamerzijde tot 2300 afgewerkt en aan de andere zijde tot de vloer erboven, en dat is precies wat het paneel van die muur laat zien. Een plafond is een afwerking: het verandert niets aan de verdiepingshoogte, aan wat een trap overbrugt, aan de ruimteoppervlaktes of aan de export. Een opgegeven hoogte gelijk aan of boven de verdiepingshoogte werkt niets extra af en telt daarom niet mee. Een vloeropbouw is niet bekend.

Selecteren, verplaatsen, krommen

V activeert het selectiegereedschap voor knopen, muren en symbolen. Een geselecteerde muur krijgt een ruitvormige greep op het midden; verslepen buigt de muur tot een cirkelboog. De pijlhoogte in millimeters staat daarna in het paneel, net als de dikte en de lengte. Lengte aanpassen verschuift het verre uiteinde langs de muurrichting.

Twee muren die net niet op elkaar uitkomen zijn samen te voegen: selecteer ze allebei (Shift+klik) en het paneel biedt Muren verbinden aan. Beide muren worden doorgetrokken tot hun snijpunt en de uiteinden worden één knoop — hetzelfde werkt bij een overlap, want dan ligt het snijpunt achter een van de uiteinden. Evenwijdige muren hebben geen snijpunt; die uiteinden komen samen op hun midden, en de knop heet dan ook anders. Kan het niet, dan zegt het paneel waaróm: de muren delen al een knoop, een uiteinde zit al aan een derde muur vast, of ze reiken niet tot elkaar.

Knopen zijn ook los toe te voegen en te verwijderen. Cmd/Ctrl+klik op een muur splitst hem daar en selecteert de nieuwe knoop, zodat x en y meteen op maat te zetten zijn — dezelfde handeling als op een leiding. Een geselecteerde knoop is oranje getekend, zodat duidelijk is waar Del op werkt: die haalt de knóóp weg, niet de muur. Zitten er twee muren aan, dan worden die één — ook als het een hoek was, want dat is wat het weghalen van een knoop betekent. Aan een muuruiteinde is er niets om in op te gaan en gaat die ene muur mee. Komen er drie of meer muren samen, dan gebeurt er niets: dat weghalen zou losse einden achterlaten, en daarvoor staat Verwijderen met muren er apart. Op een leiding werkt Del precies zo — het punt verdwijnt en de buren worden opnieuw verbonden. Staat een knoop tussen precies twee muren die in één lijn lopen en hetzelfde vermelden, dan biedt het paneel Knoop verwijderen: de twee muren worden één en de sparingen schuiven mee. Dezelfde bewerking staat op de muren zelf: selecteer beide secties en het paneel biedt Muren samenvoegen aan — twee secties zijn twee dingen op het scherm, en daar wordt naar de knop gezocht. Kan het niet, dan zegt het paneel waarom.

Deuren, ramen en doorgangen

D, N en P plaatsen respectievelijk een deur, raam en doorgang op een muur. Tijdens het plaatsen worden de afstanden tot beide muuruiteinden weergegeven. Richting, breedte en type zijn vervolgens instelbaar in het paneel; alle typen staan op deur- en raamtypen.

Het paneel toont bij een actief openingsgereedschap wat de volgende plaatsing krijgt: breedte, draairichting en brandwerendheid. Die keuzes blijven staan, zodat een rij gelijke deuren in één keer goed staat in plaats van stuk voor stuk achteraf. De aangeboden breedtes zijn de standaard dagmaten van het binnendeurkozijn — 730, 780, 830, 880, 930 en 1010 mm — en daarnaast de dubbele maten; elke andere maat blijft intypbaar. width is de dagmaat van het kozijn, niet het deurblad.

Brandwerendheid wordt genoteerd zoals op een tekening: WBDBO met het aantal minuten, en daarnaast WBD en WRD. Het aanzetten van een waardering zet de deur meteen op zelfsluitend. De aanduiding komt op de plattegrond en in elke export.

Een opening blijft aan de bijbehorende muur gekoppeld en verplaatst met die muur mee.

Symbolen

S opent het symboolgereedschap. Zoeken in het palet werkt in beide talen; de zoekterm “socket” vindt bijvoorbeeld de wandcontactdoos in de Nederlandse interface. Symbolen die aan een muur horen klikken vlak tegen het muurvlak en draaien mee. R roteert, M spiegelt, Alt+slepen maakt een kopie van wat al goed staat. Kleur is betekenis, geen opmaak: zwart is bestaand, rood is nieuw, geel verdwijnt. Alle 82 staan op plattegrondsymbolen.

Trappen

T opent het trapgereedschap met de vijftien traptypen van het symbolenblad: steektrap, bordestrap, trappen met onder- of bovenkwart, spiltrap, wenteltrap, roltrap, vlizotrap, klimijzers en hellingbaan. Een trap is geen symbool: breedte, aantrede en het aantal treden staan in het document, zodat dezelfde steektrap in een woning 900 mm breed is en in een bedrijfsunit 1200 mm. Het hoogteverschil komt van de verdieping: een trap volgt de verdiepingshoogte uit het Plan-paneel tenzij er een eigen hoogte is ingevuld, wat een trap naar een entresol naast een vide nodig heeft. Een trap van 15 treden heeft 16 optreden, dus 2800 mm geeft een optrede van 175 en een loopvergelijking van 570. De treden, de looplijn, de pijl en de plaats van de breuklijn volgen daaruit. Het paneel zet de uitkomst naast de invoer en meldt in rood waar een maat buiten het gebruikelijke valt; Wallgraph toetst geen regelgeving. R draait een kwartslag om het midden van de trap en M spiegelt, ook vóór het plaatsen. Een trap die draait heeft een draairichting in het paneel, linksom of rechtsom; bij een trap met onder- en bovenkwart staat elk kwart daar apart, zodat de trap boven naast zichzelf terugkomt of juist naar de andere kant verspringt. De pijl wijst altijd van beneden naar boven; een trap die naar beneden gaat is dezelfde trap, omgedraaid. Een trap op de verdieping eronder schemert door op de plattegrond erboven, want daar komt hij aan.

Constructie

H opent het constructiegereedschap: kolom, balk, leuning en vide — de dragende en begrenzende delen die geen muur zijn. Geen daarvan komt in de muurgraaf: een kolom staat los van de hartlijnen ook waar hij in een muur staat, een balk overspant wat hem draagt, en een leuning begrenst een rand zonder een ruimte te omsluiten. Elk is een geplaatst object met eigen maten, zoals een trap, en de tekening volgt daaruit.

Het snijvlak van de plattegrond bepaalt hoe elk getekend wordt. Een kolom wordt erdoor gesneden en staat gearceerd, als een muur; de doorsnede is rechthoekig, rond of een H-profiel, met breedte en diepte in het document. Een kolom draagt de vloer erboven tenzij hij een eigen hoogte opgeeft, wat een kolom onder de vloerrand van een vide nodig heeft. Een balk ligt boven het snijvlak en staat daarom gestreept, zoals een bovenkast; de gangbare walsprofielen (HEA, HEB, IPE) staan in het paneel en zetten flensbreedte, profielhoogte en het opschrift in één keer, maar het document slaat de maten en het opschrift op, niet de tabelrij. Een balk ligt met de bovenkant op de verdiepingshoogte tenzij een eigen onderkant is ingevuld. Een leuning staat onder het snijvlak en staat in omtrek: twee lijnen op de breedte van de handregel, met een streepje per baluster op de opgegeven hart-op-hartmaat. Balk en leuning worden tussen twee punten gezet, met klikken of slepen; O zet de hoek vast. Een muur met een eigen hoogte tot 1200 mm — een borstwering, kniemuur of plint — staat om dezelfde reden in omtrek in plaats van gearceerd.

Een vide is een opening in de vloer, open naar de verdieping eronder. Een vide hoort bij de verdieping waarin het gat zit, niet bij een verdieping van zichzelf — de vloer heeft een gat en de plattegrond van die verdieping tekent het. Een trapgat is hetzelfde: de opening waar de trap van beneden doorheen komt, getekend op de plattegrond van de verdieping erboven. Het merk is de omtrek met een diagonaal uit elke hoek; de vloerkleur eronder wordt weggenomen, want een vide is geen vloer.

Materiaal is een keuze per element, net als bij een muur, en niet opgegeven is een eigen antwoord. De IFC-export schrijft kolom, balk en leuning als eigen elementen met hun maten; de 3D-weergave trekt ze op tot hun hoogte. Wallgraph rekent niets aan een constructie na: een kolom of balk is een figuur op de tekening, geen berekening.

Inrichting

C opent het inrichtingsgereedschap: kasten, keukenapparatuur, sanitair en meubels. Geen daarvan is een symbool, en om dezelfde reden als een trap: hetzelfde kastje is 400, 600 of 800 mm breed, een bad is 1700 of 1800 lang en een tafel is zo groot als de kamer toelaat. Breedte, diepte en hoogte staan dus in het document, en de kast, het front, de draairichting, de spoelbak en de overstek van het blad volgen daaruit bij het tekenen.

Het paneel groepeert de benoemde uitvoeringen per ruimte: keuken, sanitair, kasten en stellingen, en meubels. Onder de kiezer staan de velden die bij die vorm horen — een kast heeft een hoogteklasse, een front en een draairichting, een toestel heeft een merkteken, een douche heeft wel of geen bak, een bed alleen een maat. De hoogteklasse van een kast bepaalt hoe die het snijvlak van de plattegrond raakt: onderkasten worden van boven gezien en hoge kasten worden doorgesneden, beide doorgetrokken; bovenkasten en afzuigkappen hangen er volledig boven en staan daarom gestreept, zoals al het werk boven het snijvlak.

Voor kastwerk zijn de maten de gangbare modulematen: 150, 200, 300, 400, 450, 500, 600, 800, 900, 1000 en 1200 mm, naast een intypbare maat voor een vulpaneel op maat; andere vormen hebben hun eigen reeks. Wat tegen een muur staat klikt vlak tegen die muur én tegen het element ernaast, zodat een keukenopstelling als aaneengesloten rij ontstaat in plaats van stuk voor stuk op het oog uitgelijnd. Wat vrij staat — een bed, een bank, een tafel — landt waar de cursor staat. R draait een kwartslag om het midden, M spiegelt.

Shift+klik kiest meer elementen tegelijk; slepen verplaatst dan alles wat geselecteerd is, en draaien, spiegelen en verwijderen gelden voor de hele selectie. Een groep neemt geen snap: wat eenmaal is opgesteld blijft opgesteld. Alt+slepen kopieert in plaats van te verplaatsen — de kopie hangt aan de cursor en houdt maat, kleur en draairichting van het origineel.

Installaties

U opent het installatiegereedschap. Een leiding is één samenhangend netwerk van punten en verbindingen, geen losse lijn: een gedeelde hoofdleiding staat éénmaal in het bestand en vertakt daarna naar zoveel wandcontactdozen, kranen, afvoeren of ventielen als nodig. Klik om punten te plaatsen; Esc of dubbelklik sluit het tracé af, Cmd/Ctrl+klik voegt onderweg een punt toe. Er zijn vijf disciplines — elektra, water, verwarming, ventilatie en gas — elk met een eigen kleur en een eigen laag onder Zichtbare lagen. Verwarming staat apart en is geen soort water: cv-leiding wordt op een andere grondslag gedimensioneerd en staat op een installatietekening als een eigen systeem, ook waar één installateur beide legt.

Wat een leiding vermeldt hangt van de discipline af, en bepaalt hoe hij loopt op de tekening:

Daarnaast draagt elke leiding een montagewijze — inbouw, opbouw, in de vloer, in of boven het plafond, of een vrij tracé — en een hoogte boven de vloer. De lijn zegt wat voor leiding het is; hoe dik hij staat zegt hoeveel ruimte hij vraagt. Vanaf 50 mm krijgt een leiding onder zijn eigen lijn een doorsnedeband op ware maat: een kanaal van Ø200 neemt 200 mm in, en een tekening die dat als een streepje toont kan de vraag of het past niet beantwoorden. Daaronder blijft het bij de lijn — een toevoerleiding van 15 gaat waar hij gelegd wordt. Elektra vermeldt geen maat, want een bundel kabel heeft in plattegrond geen zinvolle breedte.

Symbolen dragen aansluitpunten. Zet een symbool op een los leidingeinde en dat einde wordt overgenomen: het punt volgt vanaf dan het symbool. Dat volgen is afgeleid en niet opgeslagen — verplaats de wandcontactdoos en het leidingeinde gaat mee, omdat de leiding bij het tekenen de huidige positie leest in plaats van een bijgewerkte kopie. Staat een apparaat midden op een tracé, dan biedt het paneel Aansluiten op aan en wordt de leiding daar gesplitst; staat het precies op een knik of knooppunt, dan biedt het Hier aansluiten op aan en wordt dat bestaande punt overgenomen, zodat de leiding bij het apparaat omslaat. Beide zijn een keuze in het paneel en gebeuren nooit vanzelf: een plaatsing hoort geen knooppunt midden in een hoofdleiding stilzwijgend op te slokken. Zolang een aansluiting ontbreekt meldt het paneel welke dienst nog open staat.

Een los eindpunt is te typeren als bron, afgedopt of doorvoer buiten het model, en is door te voeren naar de verdieping erboven of eronder. Zo’n doorvoer is zichtbaar op elke verdieping die hij raakt, met een eigen schachtaanduiding. Het paneel telt per verdieping wat er binnenkomt, uitgaat en doorloopt, en hoeveel verticale lengte aan die verdieping toevalt — elke schacht één keer, bij de laagste verdieping die hij raakt, zodat dezelfde schacht niet op elke plattegrond opnieuw meetelt. Wat niet klopt wordt gemeld en niet geweigerd: een doorvoer naar een punt dat niet meer bestaat, tussen punten op dezelfde verdieping, tussen verschillende disciplines, of tussen leidingen waarvan de gegevens niet overeenkomen.

Het paneel noemt de getekende lengte, en apart daarvan de aftakkingen naar de aangesloten apparaten: die zijn echte leiding maar staan niet op de plattegrond, dus worden ze ernaast vermeld in plaats van erin verwerkt. Apparaten zonder opgegeven montagehoogte worden geteld, niet geraden. Loopt het netwerk over meer verdiepingen, dan staat de totale netwerklengte er ook, met de verticale lengte apart. Twee leidingen zijn samen te voegen wanneer dat één aaneengesloten net oplevert — dezelfde discipline, en elkaar rakend; lukt dat niet, dan zegt het paneel welke van de twee ontbreekt. Automatisch langs muren trekt elk stuk over de kortste weg langs de muren, op een instelbare afstand tot het hart, en levert een gewoon tracé op dat daarna met de hand aan te passen is.

Bij export krijgt elke discipline een eigen DXF-laag, met aparte lagen voor data, waterafvoer en ventilatie-afvoer, omdat DXF kleur en streep per laag regelt en niet per lijn. De vergunningsbladen dragen geen installaties.

Ruimtes in beeld en op naam

F brengt de hele plattegrond in beeld, Shift+F de selectie. Beide werken in elk gereedschap. Z opent het ruimtegereedschap: sleep een kader op de tekening om daarop in te zoomen, of klik een ruimte aan om die vol in beeld te brengen.

Het paneel toont daarbij alle herkende ruimtes als lijst, in de volgorde waarin ze op de tekening staan. Een regel noemt de oppervlakte en, zodra die er is, de naam; de knop ernaast maakt van de regel een invoerveld. De lijst volgt de muren: een ruimte die in tweeën wordt gedeeld verschijnt als twee regels, zonder dat er iets bijgehouden hoeft te worden.

3D-weergave

3 zet de 3D-weergave aan: het hele gebouw, rechtstreeks opgetrokken uit de getekende muren — met deur- en raamopeningen, vloerplaten met vides en trapgaten, kolommen, balken en leuningen, trappen trede voor trede, de inrichting per stuk (kasten op hun plint en onder hun blad, sanitair met kuip en bak, meubels op hun poten) en elke verdieping op haar eigen peil. Slepen draait het beeld, scrollen zoomt, Shift+slepen verschuift; F brengt alles in beeld en Esc of nogmaals 3 keert terug naar de plattegrond. Net als de ruimtes is het beeld afgeleid: er staat niets driedimensionaals in het document.

Ruimtenamen

Een naam wordt in die lijst geschreven, of door op de tekening op de oppervlakte van een ruimte te klikken — dat opent dezelfde regel. Een leeg veld haalt de naam weer weg.

Ruimtes zelf worden afgeleid uit de muren en staan niet in het document; wat wél is opgeschreven is de naam en de plaats waar die is gezet, en dat is dan ook wat wordt bewaard. Welke ruimte de naam draagt volgt uit dat punt. Verplaatst een muur zich zo dat het punt in de volgende ruimte valt, dan gaat de naam met het punt mee.

Eén ruimte draagt één naam. Verdwijnt de muur tussen twee benoemde ruimtes, dan houdt de naam van de grootste van de twee de samengevoegde ruimte en vervalt de andere: die noemde een ruimte die er niet meer is. Muur en naam gaan in één stap, dus Ctrl+Z zet ze samen terug. Een naam die in helemaal geen ruimte valt blijft wél staan waar hij is geschreven: dat is wat een open ruimte of een nog niet gesloten muurlus nodig heeft.

De naam komt boven de oppervlakte te staan en gaat mee in PNG, SVG en DXF.

Ruimtes en maten

Gesloten muurlussen worden automatisch als ruimte herkend en van een oppervlakte voorzien. De maat is standaard netto (binnenwerks, NEN 2580); de legenda op het canvas zegt welke conventie geldt en in het Plan-paneel kan hart-op-hart worden gekozen. L zet maatlijnen op alle muren aan en uit; selectie van een maatlabel maakt invoer van de lengte mogelijk.

De maatlijnen kennen dezelfde twee conventies, los te kiezen onder Maatlijnen: hart-op-hart, dagmaat — gemeten tussen de wandvlakken, waar interieurwerk vanaf wordt uitgezet — of beide, waarbij elke keten zijn eigen regel krijgt en de dagmaat het dichtst bij het gebouw ligt. Zodra de dagmaat wordt getoond, krijgt elke rechthoekige ruimte ook haar vrije breedte en diepte onder de oppervlakte, in PNG, SVG en DXF mee.

A opent het meetlint: klik twee punten, of sleep van het ene naar het andere, en de afstand ertussen verschijnt op de tekening met daaronder de horizontale en verticale component. Het lint pakt hoeken, wandvlakken, dagkanten, kolommen, trappen, kasten en leidingen, en met het eerste punt gezet ook het loodrechte punt op een wand, zodat een vrije afstand tot een muur in één beweging te meten is. Shift houdt het tweede punt op een van de acht richtingen; de hoekvergrendeling O van de wanden geldt hier niet. Een meting wordt niet opgeslagen en komt in geen export voor.

Opslaan en exporteren

De plattegrond wordt automatisch in de lokale browseropslag bewaard. Hiervoor is geen account of applicatieserver vereist. De plattegrond blijft na het sluiten van het tabblad beschikbaar.

Sneltoetsen

ToetsDoet
Vselecteren en verplaatsen
Wmuren tekenen; nogmaals: volgende vorm
D N Pdeur, raam, doorgang
Ssymbool plaatsen
Ttrap plaatsen
Hconstructie: kolom, balk, leuning, vide
Cinrichting plaatsen
Zruimtes: kader slepen, ruimte aanklikken, ruimte benoemen
Ameetlint: afstand tussen twee punten
Falles in beeld
Shift+Fselectie in beeld
33D-weergave aan/uit
Ohoeksnapping aan/uit
Shifthoek vasthouden tijdens het tekenen
Grastersnapping aan/uit
Lmaatlijnen aan/uit
R Mroteren om het midden, spiegelen
Shift+klikmeer elementen selecteren
Alt+slepenkopie slepen in plaats van het origineel
Delselectie verwijderen
Entermuurketen sluiten (zonder getypte lengte)
Escafbreken / keten afsluiten
Ctrl+Zongedaan maken
Ctrl+Shift+Zopnieuw
scrollenzoomen naar de cursor
rechts slepenverschuiven

Editor openen. Ctrl+Z maakt de laatste documentwijziging ongedaan.